Maandelijks archief: november 2014

Diepgaande gespreksstof

Vandaag schuiven we aan bij Stefan. Hij is momenteel in Oeganda, waar zijn vrouw onderzoek doet, waar hij zelf nog niets te doen heeft en dat allemaal op gevaar voor eigen leven vanwege het ebolavirus. (Al mag ik dat laatste niet van hem zeggen, omdat dat volgens hem “nergens op slaat”, “volstrekte onzin is” en bovendien “pertinent onwaar”.

“Als ik het goed begrijp,” steek ik van wal “doe jij momenteel niets, terwijl je vrouw hard bezig is.” Hij knikt.

Ik wacht op een verder antwoord, maar het is blijkbaar een man van weinig woorden, of zoals men het ook weleens zegt ‘kort van stof’. Hij kijkt me aan voor de volgende vraag. Het lijkt haast wel alsof hij haast heeft, terwijl hij net toch echt heeft toegegeven dat hij niets doet. “Vind je dat niet gek, dat zij van alles doet en jij niets?” “Neuh.” zegt hij rustig. Wat een man, ik weet niet of ik me hierover moet opwinden of dat ik een beetje jaloers op hem ben.

“Maar wat doe je dan op z’n dag?” Ik stel snel de volgende vraag, om mijn verwarring te verbergen. “Ik sta tegelijkertijd met Mirjam op, we ontbijten samen en als Mirjam vertrekt, dan, dan,” hij fluistert nu, “dan kruip ik weer in bed met mijn ereader en als Mirjam belt dat ze er weer aankomt, dan kom ik mijn bed uit.” En hij vervolgt met normale stem “Als Mirjam er weer is, dan gaan we samen zwemmen of hardlopen. Daarna douchen, insmeren met deet tegen de muggen, eten, nog een beetje lezen en weer naar bed.” Ik luister, ik geef het toe, met open mond naar deze verklaring. Dat kan toch niet waar zijn? Dit is duidelijk van mijn gezicht te lezen (waarom heb ik dan ook zo’n grote mond?), want Stefan zegt snel dat het natuurlijk niet waar is. Ik haal opgelucht adem. “Wat doe je dan wel?” Hem ondertussen enigszins kennende, zal hij dit niet uit zichzelf vertellen.

“Het eerste gedeelte is waar, het gedeelte daarna gedeeltelijk, behalve dat ik ook nog een wandelingetje maak, zelf nog even wat zwem, wat boodschapjes doe, wat schrijf en wat naar websites kijk. Het gedeelte daarna klopt weer helemaal precies.” Het is mij niet helemaal duidelijk welke gedeeltes wat zijn, maar ik denk dat ik een globale indruk heb. Als journalist ben ik beroepshalve dubbel geïnteresseerd in het schrijven. “En wat schrijf je dan zoal?” “Ik ben bezig met een kort verhaal, dat voor mijn doen al best wel lang is.” Heel duidelijk, ja. “Daarnaast schrijf ik wat losse stukjes, zoals deze blog.” Dat is dan weer wel duidelijk. 

“Dus je hebt het hier wel naar je zin?” “Zo zou je het kunnen omschrijven, ja.” Mm, weer een lekker vaag antwoord. 

“En wat zijn de minder leuke kanten?” “Tsja, zolang zit ik hier ook nog niet. Het gaat allemaal eigenlijk wel goed.” “Maar er zijn toch zeker ook nadelen, of dan op zijn minst minder plezieriger kanten?”
“Nee hoor, helemaal niet.” klinkt het. Ik kijk Stefan aan, meent hij dat nou echt? Mijn blik ‘sorteert’ effect. “Nou ja, aan een dingetje kan ik me wel storen. Je hebt altijd van die plakkerige handen.” “O? Hoezo dat dan? Zweethanden?” probeer ik dieper te graven, zelf heb ik er constant last van, zeker tijdens dit stroeve gesprek. “Dat, maar dat niet alleen. Komt het niet door zweet, dan wel door met je handen te (moeten) eten , of doordat je je hebt ingesmeerd met zonnebrandcreme en anders heb je wel plakkerige handen door deet. En dan telkens weer nieuwe mensen ontmoeten en handen schudden. Het zou me niks verbazen als ze denken dat ik ebola heb. Oh, eh, dat laatste mag je eruit halen hoor. Dat slaat nergens op, is volstrekte onzin en is bovendien pertinent niet waar.” Ik zal mijn best doen, knik ik beleefd, maar dat houden we er natuurlijk in. Spanning en sensatie, anders is het ook maar een saai gesprek.

De rest van het gesprek was nog oninterressanter. Dit gesprek vond plaats in Kampala. Ondertussen is Stefan, samen met zijn vrouw, veilig aangekomen in Lira. De verwachting is dat hij daar verschillende organisaties zal ondersteunen wat betreft hun websites en dat die organisaties wellicht ook andere werkzaamheden voor hem hebben (dus dan zal hij niet de hele dag met een ereader in bed kunnen liggen). 
Mirjam zal in Lira haar veldwerk doen onder handelaren en boeren in oliezaden (en zal het dan dus nog drukker hebben).

“En, voor je het weet”, of “eight days a week”

De tijd gaat hier, verbazingwekkend genoeg, niet sneller of langzamer dan ergens anders. De zon doet wel haar razende best, is snel op en gaat ook als een gek weer onder. Maar de tijd gaat even hard.

Ja, ja, natuurlijk gaat de tijd even hard. Een secondewijzer trekt zich niets aan van waar hij zich bevindt. Het gaat om de perceptie, voelt het alsof de tijd harder gaat daar?

Ah, gaat het daarom? Nou ja, als je even niet oplet, kan het hier inderdaad zo een paar uur verder zijn, maar even goed kan het zijn dat er slechts enkele minuten voorbij zijn gegleden. En zo kan het zijn dat we hier al acht dagen zijn, terwijl ik het gevoel heb dat we er pas acht dagen zijn.

En na een weekje/acht dagen kan ik de beatles nazingen (met nadruk kàn, ik zal het niet doen) dat acht dagen in een week niet genoeg zijn. 
Niet genoeg voor wat? Niet genoeg om te verbranden (hoewel ik moet toegeven dat het afgelopen zondag (ik maak geen woordgrapje) op het randje was). Niet genoeg om mijn stoelgang te beïnvloeden (ik kreeg de tip van iemand dat ‘men’ vooral details wilde horen, maar ik zal het hier bij laten). Niet genoeg om ziek te worden. Niet genoeg om een ongeluk te krijgen (terwijl je bijvoorbeeld achterop een moter zit).

Al met al best positieve dingen. Helaas was het ook niet genoeg om een verhaal te schriiven (alhoewel ik wel een begin heb gemaakt en telt bloggen mee?), om de rest van de website te vullen, om borstcrawl te leren (hoewel je je best moet doen om niet het zwembad in te struikelen) of om te fietsen (sorry kringgenoten, maar ik heb wel doorgekregen dat thomas dekker ook een werelduurrecordpoging gaat doen(zet hem op, tommie)).

Is het ook nog ergens wel goed voor? Vast wel. Het is bijvoorbeeld lang genoeg voor mirjam om te zeggen dat ik niet te veel en niet te lang mag bloggen. Het is ook lang genoeg om elke menuvariatie uit te proberen bij het hostel (zo heb ik gisteravond aardappelstamppot op, met patat en braadworstjes en hebben we vandaag ontbeten met pannenkoeken en passievrucht). En het is lang genoeg geweest om er een redelijk lange blog aan te wijden (en dan is nog lang niet alles verteld, al de toeristische activiteiten zijn nog niet aan bod geweest, noch in deze blog, noch op deze blog).

En, voordat je het weet, kan je driftig gaan plussen-en-minnen, om zo tot een conclusie te komen wat de afgelopen achtdaagse week gebracht heeft. Met nadruk op kàn.

Ai, ai en nog eens ai

Over first things gesproken, de eerste ‘powercut’ is een feit. Gelukkig doet de keuken het nog wel, een powercut meemaken is best leuk, maar ik wil er natuurlijk geen hinder van ervaren. En met een volle maag in het donker staren is nu eenmaal leuker dan met een lege maag in het donker staren.

Nu we het toch over eten hebben, dit keer liggen er geen bonen op mijn bord, zelfs geen rijst. En dat niet alleen niet op mijn bord, ook niet op Mirjams bord. En dat is toch enigszins merkwaardig. De afgelopen dagen was de rijst niet van mijn bord te slaan. Of juist wel, omdat er telkens weer een enorme bult rijst op het bord lag. Twee keer per dag. En dan ook nog eens met bonen. Maar dat was dan wel weer mijn eigen keuze. Aan eiwit dus geen gebrek, zeker niet als je je bedenkt dat de ontbijtkeuze bestaat uit: een ei met worst en toast, twee eieren met toast, een omelet met toast of een spaanse omelet. Ok, ik sla er eentje over: twee extra sneetjes toast.

Wat er nu dan wel op mijn bord ligt? Een halve kip en gefrituurde aardappelpartjes. Dat is het. Het lijkt wel alsof ze nog nooit van groente hebben gehoord. En niet dat ze die niet hebben in uganda. Overal langs de weg staan stapels groenten. Aangezien er ook kippen langs de weg lopen, zou je analoog daaraan toch verwachten dat er ook groenten op je bord zou liggen. Aan de ene kant hebben groenten natuurlijk geen pootjes en kippen wel. Maar ik heb ook nog nooit aardappels met pootjes gezien. Of zouden die puntjes dan toch… 

o ja, vertrouwd en voor de 1e keer

Een week in Kampala betekent allerlei vertrouwde ‘Afrikaanse’ (oké Oost-Afrikaanse, vooruit Keniaanse) dingen, o ja momenten en ‘voor de 1e keer’ momenten, zoals:

  • De 1e stroomuitval (net als je lekker wil gaan internetten)
  • Het 1e Ugandese biertje (een Bell, dat kon niet missen want ons hostel zit vlakbij de brouwerij, en oeps niet om het dopje gevraagd Es)
  • De 1e keer hardlopen (Zie Stefans blog voor een uitgebreidere reflectie)
  • O ja, je moet hier onderhandelen voor de taxi (en wat je verder ook maar aanschaft) en o ja, daar zijn we nooit zo enorm goed in (bijvoorbeeld: vandaag onderhandelde een Oegandees voor ons en die kreeg 35,000 shilling voor elkaar voor een rit, terwijl ik gisteren bijna hetzelfde voor de helft van de rit betaald heb…)
  • En in de categorie vertrouwd: De chaos van auto’s, busjes, taxi’s (ja dat zijn ook auto’s maar toch anders) en motors; de enorme variatie aan lokale winkeltjes met de meest fantastische (christelijke) namen: Jesus Saves hairshop, God is gracious restaurant, etcetc (een fotoreportage volgt hopelijk nog een keer; en dat valt meteen ook onder de o ja, momenten, het idee dat je altijd minder foto’s maakt van zulke lokale dingen dan je zou willen)
  • Nog een vertrouwd: nooit zomaar iets vragen maar altijd eerst een ‘Hello-how-are-you-Fine-And-you-Fine-thanks’ conversatie daaraan vooraf laten gaan (waardoor ik Stefan een beetje uit moest lachen toen hij op een nogal directe manier lunch bestelde: ‘two-lunch’. Toegegeven, het is wel efficient. Maar je krijgt er geen lachend gezicht bij).

Ik hoop dat de gister genoemde wetenschappelijke theorie niet klopt, anders is het wel heel erg gesteld met mijn beentjes.