Strak man!

Zo, gisteren weer eens het vooroordeel dat blanke gek zijn bevestigd. En dat niet alleen door midden op de dag te gaan fietsen. Alhoewel, nu ja, ‘het begon allemaal’ bij de voorbereidingen. Om te fietsen heb je een wielershirt nodig. Dat kan je proberen te ontkennen, maar dat zal niet gaan. Toen ik op de markt liep, zag ik opeens een wielershirt hangen. Maar helaas, een ‘L’, van veeL te groot voor Stefan. De verkoper was het daar, naar ik dacht vanuit verkooptechnisch oogpunt, niet mee eens. Vooruit, dacht ik bij mezelf, proberen kan altijd. Dus ik doe hem over mijn shirt aan (zo’n stralende witte buik kan ik de Oegandezen natuurlijk niet aan doen) en inderdaad, zelfs met een t-shirt eronder lubert-ie aan alle kanten. ‘Zie je wel’ wil ik zeggen, maar ik hoor: ‘Oh, hij past precies.’ En hij meent het nog ook.

‘Nee, hij moet strak zitten, echt strak.’

‘Haha, strak, hij zit toch helemaal goed. Doe je aan voetbal?’

Aha, dat verklaart het een en ander.

‘Nee, ik fiets.’ Mmm, dat klonk alsof ik er trots op ben. Ik wijs voor de duidelijkheid op het logo met een fiets dat op het shirt staat ‘En een fietsshirt moet strak zitten’ (ik wil haast toevoegen, ‘vraag maar aan mijn kringleider’, maar ik denk dat dat alleen maar meer vragen oproept(maar misschien heb ik op deze manier wel een evangelisatiekans om zeep geholpen)).

‘Echt strak? Hij’ en hij wijst naar een kleermakertje, terwijl hij zijn lachen haast niet kan inhouden, ‘kan hem wel strakker voor je maken.’

Nou ja, vooruit dan maar. Ik doe het shirt nog een keer aan en laat zien hoe strak het moet zitten. Drie hangjongeren hebben me in de gaten (hoe kan je een blanke niet in de gaten hebben) en zien wat ik wil. ‘haha, strak.’ en ik lach gezellig mee. Ondertussen heeft de kleermaker het shirt verschillende malen onder de naaimachine door gehaald en ik kan het nog een keer proberen. Kijk, dat lijkt er meer op. Helemaal controleren lukt niet met een t-shirt eronder, maar die kleermaker heeft wel een timmermansoog. Zonder meetlint, hop, in een keer klaar. Er echt trots op zijn, wil niet helemaal lukken, omdat elke Oegandees in een straal van twintig meter dubbel ligt van het lachen. ‘Haha, dat shirt.’ ‘Ah, muzungu!’ ‘Strak, strak.’

Kan je fietsen? fiets dan mee!

De meest inspannende ontspanning hier is voor mij fietsen. Waarschijnlijk zou dat ook voor veel Oegandezen gelden, ware het niet dat ze het niet als ontspanning doen. Fietsen doen ze in ieder geval genoeg. De fiets is niet zoals in Nederland een persoonlijk vervoersmiddel, maar een middel voor het vervoer van goederen of passagiers.

In Lira barst het van de fietsboda’s, oftewel fietstaxi’s. Op het achterrekje ligt een kussentje (meestal vrolijk geel, rood of blauw gekleurd) met een soort jasbeschermers (soms met extra versiering, zoals roze hartjes(met daarbij de aantekening dat er eigenlijk geen vrouwelijke fietsbodarijders zijn)) zodat je zonder een bont en blauwe kont op plaats van bestemming aankomt.

Natuurlijk geen foto van echt zwaar beladen fietsen te vinden...
Natuurlijk geen foto van echt zwaar beladen fietsen te vinden…

Een ander gebruik is het vervoer van goederen. En dat is dan net iets anders dan wat wordt rondgebracht door Nederlandse fietskoeriers. Grote zakken met groenten (en dan bedoel ik ook echt grote zakken, die boven de fietser uittorenen, of overdwars liggen en aan beide kanten bijna een meter uitsteken) of stapels hout die bijna de hele weg in beslag nemen, of kozijnen, of een bed, of een rol golfplaat. En dit wordt dan allemaal vervoerd op een soort opafiets, alleen dan een nog zwaardere uitvoering (wat enerzijds ook wel moet om al het gewicht fatsoenlijk aan te kunnen, maar wat anderzijds van het fietsen zonder enige bagage al een ramp maakt).

Maar goed, daar heb ik gelukkig allemaal geen ervaring mee. Ik heb een soort van heel goede fiets (een heuse raleigh (met voorvorkvering (die uiteraard niet werkt (maar daardoor niet minder zwaar weegt(daar gaan al de marginal gains))) en een heleboel versnellingen (die het zowaar ongeveer allemaal wel doen))) waarmee ik hier over de wegen vlieg. En af en toe is dat zelfs letterlijk(als een echte flying dutchman), want de drempels hier zijn hoog genoeg om als springplank te gebruiken (dit overigens tot groot vermaak van aanwezige oegandezen, die zoiets waarschijnlijk niet vaak hebben gezien (een beetje fietser probeert namelijk de drempels via de berm te ontwijken en als dat niet lukt remt hij af om rustig de hobbel te nemen(wat kan je ook anders als je zo zwaar beladen bent))).

Maar mijn eigenlijke bedoeling van de blog is niet om een verhaaltje over fietsen te vertellen, maar om je mee te nemen op een fietstochtje, zodat je het allemaal zelf kunt zien. Smeer jezelf eerst goed in met zonnebrandcreme, want de zon is hier gemeen fel.

‘Weet je zeker dat we nu moeten gaan?’

Het is inderdaad nog erg warm, maar we gaan niet naar de supermarkt op de hoek, dus we zijn wel eventjes onderweg. In het donker fietsen is hier niet zo heel erg veilig, dus we willen niet te laat thuis zijn. Vergeet ook je pet en bril niet (alles tegen zon en stof). Zo, kunnen we gaan?

‘Zeg jij het maar, Stefan, jij bent de baas.’

Oke, dan gaan we. De weg vanaf ons huis is, zoals je merkt, niet heel erg goed. Maar de rest van de weg is niet veel beter hoor, wees maar niet bang. Oh, hier stoppen we even.

‘Nu al? ik dacht dat we niet naar de supermark op de hoek gingen.’

Gaan we bijdehand doen? Wat dacht je van wat eten voor onderweg? Ik koop meestal hier wat chapats. Energierepen kennen ze hier niet echt.

‘Ga jij nu bijdehand doen?’

Sorry, dan gaan we nu echt. Hier komen we langs een marktje waar we weleens wat groente halen. We nemen hier dit smalle tussendoorpaadje. Het is hier vaak druk, omdat ze links water halen. Die jerrycans zijn namelijk niet voor benzine bedoeld. En dan nu een stuk asfalt. Dit is de doorgaande weg. Oh ja, zoals je merkt moeten we links fietsen. Bij die fabriek, of wat het ook precies is, gaan we naar links, weer van het asfalt af.

‘Dat ziet er wel uit als een leuke mountainbikeroute.’

Mountainbikeroute of doorgaande weg?
Mountainbikeroute of doorgaande weg?

Ja, in Nederland doen ze moeite om dit soort wegen aan te leggen ter ontspanning, hier mag je blij zijn als dit soort wegen er uberhaupt liggen. Als je trouwens mensen tegenkomt, gewoon zwaaien, of “apoyo” (korte (en uitspreekbare) versie van hoe gaat het) zeggen. Pas op, een vrachtwagentje, die rijden hier soms snoeihard langs.

‘Uche uche’

Ja en ze nemen dan een flinke stofwolk mee. Voor een kort ritje ga ik hier anders naar rechts, maar we gaan nu rechtdoor. Zometeen is er een stukje waar ze met de weg bezig zijn. Het is hier een beetje moerasachtig en ze zijn bezig met het verbinden van de twee delen met duikers, zodat, als het goed is, de boel minder overstroomt in de regentijd. Gaat het trouwens nog een beetje? Als we straks bij de rotonde zijn…

‘Rotonde? Hier een rotonde, in “the middle of nowhere”? Je maakt een grapje. Maar het gaat nog prima hoor, het is een prima tempo.’

Mooi, maar er is echt een rotonde. En zo “in the middle of nowhere” zitten we niet. Dit is Bala, een redelijk groot dorp, en er komen hier een paar belangrijke wegen samen. Dan hebben we ongeveer 20 kilometer gefiets. We gaan bij de rotonde naar rechts, naar een lange rechte weg van zo’n 10 tot 15 kilometer.

‘Poef, dat klinkt saai’

Dat valt gelukkig wel mee. Het gaat net als deze weg op en af, zodat je nooit heel ver voor je kunt zien. Ik zal je trouwens niet vermoeien met teveel gepraat, kijk gewoon zelf lekker om je heen en geniet van het mooie uitzicht.

‘Wow, het ziet er hier trouwens wel echt Afrikaans uit zeg. De rode weg, ronde hutjes met grasdaken, kleine kindertjes die langs de weg staan te kijken, mensen die water halen.’

Haast idyllisch, he?

‘Ja, je boft maar dat je hier zo kunt fietsen.’

De harde idyllische werkelijkheid
De harde idyllische werkelijkheid

Nou ja, voor de mensen hier is het allemaal keiharde werkelijkheid. Ik vind het toch altijd een beetje gek dat ik hier voor m’n lol een beetje rondrijd. Maar ach, aan de andere kant geef ik ze weer een leuk moment.

‘Voor je lol, ik vind het ondertussen niet meer zo lollig, is het nog ver?’

We kunnen hier wel even stoppen, even cola kopen, weliswaar nepcola, maar je moet toch wat drinken. Zo, kan je er weer tegenaan?

‘Het moet maar, dat jij in deze hitte nog een beetje kunt functioneren zeg.’

Nou, dat was ook wel even wennen hoor, maar als ik nu op de fiets zit, dan gaat het allemaal wel prima. Zo, dat was deze weg, we gaan weer naar rechts. Nu rijden we een stuk langs een ander moeras, dat ook wel “okole river” wordt genoemd, daarna komen we weer op de grote weg. Het moeras gebruiken ze trouwens voor allerlei verschillende zaken. Om water halen, kleding te wassen, of fietsen, of auto’s en natuurlijk om te vissen.

‘Ah ja, ik zie het. Ik vroeg me al af of die auto van de weg was geraakt.’

Vanaf de grote weg is het trouwens nog zo’n 20 kilometer. En pas op, ze hebben hier zomaar een strook asfalt liggen.

‘Grapjas’

‘Verrek, er ligt hier inderdaad asfalt. Gaat dat door tot de grote weg?’

Nee, het houdt gewoon gewoon net zo plotseling op als het begonnen is.

‘Ha, eindelijk de grote weg, ik werd de weg wel een beetje beu hoor. Die kuilen en al dat stof en de motors die voorbij komen crossen en al die mensen die je aanstaren, dat voelt toch inderdaad een beetje gek. Het is nu toch gewoon de weg volgen?’

Jep, we zijn er nu binnen het uur. En we zijn nu, even kijken, een uur en drie kwartier onderweg. Dat gaat sneller dan ik dacht.

‘Uhm, niet om het een of ander, maar kunnen we dan misschien iets langzamer rijden?’

Ow hier rijden trouwens hele grote vrachtwagens die zich zoveel van fietsers aantrekken dat ze toeteren, maar niet van richting veranderen. Als er een tegenligger is en er komt een vrachtwagen, of een gewone auto, achterop, gewoon de berm induiken.

Dat het steil is, is misschien niet duidelijk te zien, maar ze lopen rechts niet voor niets.
Dat het steil is, is misschien niet duidelijk te zien, maar ze lopen rechts niet voor niets.

‘Ik dacht dat het noorden van oeganda vlak was.’

Tsja, zo vlak als Nederland krijg je het nergens (misschien sommige zoutvlaktes daargelaten). Maar het zijn inderdaad nog wel redelijke klimmetjes.

Hier naar links, dan zijn we weer op het tussendoorpaadje van het begin. En nu zijn we er helemaal.

‘Goed dat je het zegt, ik had het niet herkend.’

‘En hoeveel was het nu in totaal en hoe lang hebben we er over gedaan?’

En uitgezocht: 58 kilometer.
En uitgezocht: 58 kilometer.

Volgens mij is dit rondje iets van zestig kilometer, maar ik moet dat eigenlijk nog een keertje goed uitzoeken. En we hebben er iets meer dan tweeënhalfuur overgedaan. Niet slecht, al zeg ik het zelf. Volgende keer wat harder fietsen en we halen de 25 gemiddeld.

‘Dat doe je dan maar in je eentje.’

Vond je het niet leuk dan?

‘Ik vond een keertje, om een indruk te krijgen, eigenlijk wel genoeg.’

 

Traders and institutions, otherwise known as what Mirjam has been doing

A new blog by me, Mirjam, somehow quite a rare occasion compared to Stefan’s efforts (maybe I am just working harder :-P), and in English this time! I promised some of my German friends to write a blog that they can also understand, and I figured it makes everyone happier if I do that in English, not in German…

So since you, my English-speaking friends, have not been able to read anything about our adventures so far, I was wondering if I should make an attempt to wrap up the last three months in Uganda… The blogs so far have gone from our first impressions to the animals we have in our house (mosquitoes, cockroaches and a mouse, although at the moment we haven’t seen the mouse in a while so it might have left; and yes we are renting our own, 2-bedroom house which is really nice!), to how Ugandans, and we, spent leisure time (playing a lot of pool, enjoying our e-readers we bought especially for this trip, and the series we watch at the moment: Big Bang theory and House of Cards), to our Christmas holidays (spent in the South-West of Uganda, a very beautiful area!), to what my research is actually about. Considering that I met most of my English speaking friends actually during activities somehow related to my research (summer schools, internships, fellow PhDs at Wageningen) I thought it best to write a bit more about my research (and the last blog Dutch readers read about it is also a while ago, so that’s, as we say in Dutch, two flies in one strike ;-)).

Maybe I should start with giving a short wrap-up of my research topic. I am studying the trade of oilseeds in Northern Uganda, which is why we are currently based in Lira, in Lango sub-region. Oilseeds (sunflower, sesame, soya) are the most important cash crops in this region (i.e. the crops people grow with the intention to sell them on the market, instead of consuming it themselves), which is why I am especially studying these. The idea of studying trade, especially ‘informal’ trade, is to get better insights in how local markets work. Farmers have several options in marketing their produce: sell it to a cooperative, if they are a member of it, thereby receiving a slightly higher price because farmers then bulk their produce together; or sell it to so-called ‘middlemen’. These are traders based in villages, who collect produce from farmers, and then sell the produce to for instance bigger traders based in Lira, who have connections with bigger companies in Kampala, or with Kenyan, Sudanese or Rwandan traders.

On the road

So you could argue that the presence of this system of middlemen and traders is important in linking farmers to markets. But the ‘dominant development pathway’ understands ‘linking farmers to markets’ in a more ‘formal’ way, for instance through promoting contracts with big companies, or setting up farmer cooperatives. With the premise that in this way the ‘exploitative middlemen’ can be excluded. Which in theory sounds nice and seems to make sense; if you skip some steps in the process, prices for farmers would indeed increase. But the reality seems to be (as it often is, and maybe especially for a PhD researcher) much more fuzzy. Farmers often sell to both cooperatives and middlemen: a cooperative gives them the advantage of a higher price, but a middlemen gives the important advantage of providing cash on delivery, so that farmers do not have to wait for money. Which is what my research is about, to get better insight in how these several marketing channels are actually organized, so to get better insights in what works for farmers, cooperatives and traders, and what not. Theoretically, I am thereby also studying institutions (the so-called ‘rules of the game’); to find out which institutions are in place enabling viable trade practices, both for cooperatives and traders. Which is something different than ‘putting the right institutions into place’, a phrase linked to this same pathway of linking farmers to markets.

blog 2
a trader with his produce and weighing scale

One of the things I have found out so far is that trading entails a lot more than ‘just buying produce’. As a trader, you have to manage a lot of things at once. One of the most important is that to buy produce, you need to have ready capital. Traders get that from slowly building their own capital from their profits; or maybe via bank loans or small loans from other traders. Another way is to get some ‘advance payment’ from the companies they are working with. A company buying sesame could for instance give you a certain amount of money to buy sesame for them, and if you deliver that, you will also get some profit. In the same way, bigger traders give other traders, which they call their agents, who are located further away from Lira advance payment to get them produce from the farmers. And these might even have their own ‘agents’ working for them. So trust is very important, because there is always a risk that someone runs away with your money. And these are often big amounts; five million shillings (1500 euro) is quite an average amount to give to agents, and it can go up to 20 million shillings (6000 euro) during the peak season! So that’s one of the institutions I am trying to find out, how do you determine to give how much money to whom? And for which crops? Sesame for instance has a higher price per kg than sunflower seeds, so if you want to buy sesame these advance payments become more important.

a woman cleaning simsim (sesame)
a woman cleaning simsim (sesame)

Next to these capital flows, the produce also needs to ‘flow’, meaning that it is an advantage if you have your own truck, or otherwise traders rent trucks to get the produce from the farmer to Lira. But renting can be tricky, especially during peak seasons trucks are a scarce good. Additionally, all this produce is hopefully of good quality. With quality, both farmers and traders try to ‘bend the rules’ to their own advantage. Farmers complain that traders adjust their weighing scales so that they get less money. For instance, if you adjust your weighing scale in such a way that a 100 kg bag seems to be 95 kg, you miss out on 5 kg. Which justifies the behaviour of farmers of making bags heavier by not drying the sunflower seeds properly, mixing seeds with sands, or with other, cheaper crops; or just put stones or even pumpkins in a bag. A trader for instance showed me a bag of sesame seeds mixed up with barley. Which are all extra costs for a trader, because then they have to clean the seeds. In a way, cheating is thus an institution in itself; as well as the rules around checking the quality of produce; and determining who is responsible for bad quality and deducting money because of it. But you can imagine that with this whole flow of produce going from a farmer to a small trader to a bigger trader to a trader in Lira, it becomes quite hard to figure out whom to blame.

What I find interesting but also challenging about studying institutions is that they are often very obvious for the people ‘using them’, or living by these rules. For instance, when you are in a setting that is familiar to you, which for me would be the Netherlands, you know how to behave; that you have to be on time for meetings, that public transport (mostly) leaves in time; you know the average prices for groceries or a beer in a café. Upon arriving here, all these rules you have to figure out, and by yourself. What the normal price is for tomatoes, or bananas in order to detect whether someone is trying to get more money from you since you are a ‘mzungu’ (swahili for a white person, and being a mzungu is again an institution in itself). Those kind of things are often very subtle, and that’s the same for my research topic. So often the things that are key for my research, you find out by asking very basic questions, or sometimes through casual remarks that, for the person who makes them, seem to be completely arbitrary. For instance, I once was talking to a trader, and made a remark about his weighing scale hanging outside, at which he replied that that is of course signalling that he is buying produce today. Which is very key for me to know, but people might not even consider telling me that, because everyone already knows this rule.

Interviewing a trader

I hope you are still baring with me at this point… As you might have figured by now, I find all this very interesting and I am already trying to keep it short ;-). So what do I do in practice? These kinds of things I have found out through talking to a lot of traders, and farmers, and cooperatives (which I have not gotten into so far, I think I better leave that for another blog…); but also by just observing a trader buying and cleaning produce; count how many stores there are in a certain area (having your own store is also an important aspect of being a trader; and there are also institutions around either owning the store or renting it); and joining a truck to observe the actual buying of produce.

The first two months in Lira, half November until half January were to get more familiar with the research topic, and find out which are the most pressing issues. The third week of January my supervisor from Wageningen paid me a visit for a week, which was a very nice timing, because we could discuss my first findings and strategize the research for the coming three months, and even for my second fieldwork period (which will probably be from October 2015 to February 2016). And we also discussed how to work on more or less four topics, so that it can result in four articles, equalling four thesis chapters. So basically I am all set now for the remaining 2 years of my PhD ;-). And the plan for the coming weeks is to finish a survey among most of the traders based in Lira, to get better insights in the numbers of agents they are working with.

Well I hope that was entertaining enough for now; I promise I won’t wait another 1 ½ months with writing something (either in Dutch or in English) and I am sure that I’ll write more in English also!

 

 

 

 

Een gewone, doodnormale, doordeweekse zondag

Maar Stefan, dat kan toch helemaal niet! Ja, nee en toch wel. Zoals jullie wellicht al wel door hebben, zijn de laatste berichten op zondag geschreven. Zondag schrijfdag, als het ware. En aangezien ik nu schrijf, moet het wel zondag zijn. Daarnaast hoeft doordeweeks natuurlijk niet letterlijk doordeweeks te betekenen (en dan ga jij, Stefan, opeens dingen niet letterlijk nemen?). Het kan hetzelfde betekenen als standaard, of als gewoon, of als doodnormaal. Bovendien was het niet helemaal een standaard zondag (maar in zekere zin ook weer wel). Het is eigenlijk een heel mooie titel (als ik het zelf zeg). Eerst een drievoudige opbouw (dries zijn altijd goed) en daarna een tegenstelling, die je wakker schudt en die bovendien mooi is, omdat het niet gewoon is.

Als je een enigszins geoefende lezer van deze blog bent, heb je bovenstaande stuk overgeslagen, omdat je weet dat dat toch altijd gezever is. Dan nu het ware verhaal over zondag 8 februari 2015. Een dag, die, zoals de afkondiger in de kerk zei, maar eenmalig is, nooit eerder geweest is en nooit meer zal komen. En, zo voegde hij er aan toe, daarom is het een goed idee om van de dag te genieten, anders is het een verloren dag, die je nooit meer goed kunt maken. We zijn ‘s ochtends weer naar de kerk geweest. Hij begint nog steeds te vroeg (om 7 uur), maar het voordeel is dat als de kerkdienst is afgelopen, je nog de hele dag voor je hebt. Ware het niet dat de dienst pas kwart voor tien afgelopen is en je daarna verplicht met ‘papa bishop’ thee moet drinken (en waag het niet om niet ook bananen, of brood, of eieren te bestellen). De preek werd gehouden door een Rwandees (in het Swahili), een van de oprichters van de oegandese kerk ‘all nations’. Hij had geen vrolijke boodschap. Het ging over de moeilijkheden die je gaat krijgen (de beker die je moet drinken) als christen. En dat je die niet uit de weg moet gaan. Want het mooie is, dat het je zal lukken en dat er dan een mooie toekomst voor je in het verschiet ligt.

stroomuitval
geen stroom? geen nood!

En dan weer over tot de orde van de dag. Terug thuis was het lam liggen en een beetje lezen en doen alsof het niet ontzettend heet was. Aangezien we niet echt iets als middageten in huis hadden, besloten we om ergens te gaan eten in een hotel. Dat hotel heeft een mooie tuin met bomen, zodat je lekker in de schaduw kunt zitten. Maar als er geen stroom is, staat juist daar een gigantisch aggregaat te ronken. En laat er nou net dat weekend geen stroom zijn (gepland (ja, je leest het goed, gepland) onderhoud). Een ander hotel dan maar. Na veel te veel varkensvlees konden we daar ook nog even poolen. Bij deze tafel lag het laken los, dat was weer een nieuwe ervaring.

devisvijver
Mirjam, Nick en een van de vijvers

Ondertussen had een vriend van AFSRT (het kantoor waar we werken) gebeld. Zaterdag hadden we bij zijn viskwekerij willen kijken, maar dat was niet gelukt. Maar deze middag zou wel kunnen. Dus stapten we na het poolen weer op de fiets en gingen we naar de andere kant van de stad. Na wat geslinger over kleine paadjes kwamen we bij zijn kwekerij aan. Hij heeft drie vijvers, met meerval en tilapia. De locatie is erg goed, het ligt half in een moeras, zodat er water enoeg is. Hij heeft plannen om nog iets uit te breiden en dan vis te gaan verkopen aan hotels of restaurants. Daarnaast heeft hij ook een kleine boomkwekerij. En dat allemaal terwijl hij een drukke baan op kantoor heeft en, niet te vergeten, is hij ook nog eens dominee. Dat lijkt mij een veel-te-veel-urige-werkweek. Hij vond het zelf ook jammer dat hij sommige dingen niet meer kan doen, maar ja, nog maar vijftien jaar zo doorgaan en hij kan stoppen met werken (zoals hij zelf zei).

zwaaienmaar
munu bye!

Het was niet lang verborgen gebleven dat er twee blanken bij de viskwekerij waren. Toen we weer bij het begin waren, stonden zo’n vijftien kindertjes ons op te wachten. Blanken zien is al bijzonder, maar heb je hun huid wel eens gevoeld? Eerst durfde een meisje heel snel even langs Mirjams arm te gaan. Ook hier geldt, als er een schaap over de dam is, volgen er meer. Dus hadden we vijftien kinderen die onze armen wilden voelen. Een lol dat ze hadden, wij trouwens ook.

En zo verstreek de middag. Onze vriend wilde ons per se meenemen naar een restaurant waar ze het beste varkensvlees van lira hebben, dus ja, nog mee varkensvlees (toch niet heel verwonderlijk dat ik me de volgende dag niet helemaal lekker voelde). We hebben nog wat gepraat over zijn plannen en de ontwikkeling van Lira. Volgens hem deed Lira het heel goed. Als voorbeeld van de vooruitgang noemde hij het grote aantal kerken in steen in de omgeving van Lira, terwijl in andere regio’s de kerken uit een houten skelet bestaan, waar dan een zeil over gegooid wordt als er een dienst is. Een stenen kerk betekent dat mensen geld en tijd hebben. Ook over hoe dat kwam had hij een theorie. Deels omdat ze hard werken (een duidelijker voorbeeld dan hijzelf is er niet), deels omdat het mensen in de vluchtelingenkampen (tijdens de burgeroorlog) duidelijk werd dat veel kinderen, ook veel kosten betekent. Ze doen iets meer aan familieplanning, wat een grote invloed zou hebben. Dat was erg interessant om te horen, maar ik was blij dat we uiteindelijk weer op de fiets konden stappen en stapvoets naar huis konden rijden (het was ondertussen aardedonker (zodat je de aarde niet meer kon onderscheiden), want op de een of andere manier deed de maan het niet).

Eindelijk weer thuis, tijd om een beetje te lezen, ondanks de hitte bijna in slaap te vallen, dan maar naar bed gaan en daar niet in slaap kunnen vallen en wachten tot maandag. Dat was weer een gewone, doodnormale, doordeweekse zondag.

Tijdverdrijf ter integratie

Als ‘vrije tijd’ daadwerkelijk een teken van ontwikkeling is, dan heeft Lira een redelijke staat van ontwikkeling bereikt. Het is er namelijk goed mogelijk om je vrije tijd te besteden en daar wordt ook veel gebruik van gemaakt. Zonder uitgebreid onderzoek (voor onderzoek moet je bij Mirjam zijn en die heeft het al te druk om hier te schrijven) kan ik een top drie opstellen:

Met stip op nummer een staat poolen. Er bevinden zich tientallen pooltafels door de stad en omstreken, weliswaar in zeer wisselende staat, maar dat mag de pret niet drukken, noch de prijs (overal kost een potje 500 Ugx(hetwelk, overgezet zijnde, zo’n 15 eurocent is)). Het maakt niet uit of de tafel scheef staat, of dat het laken bijelkaar wordt gehouden door duct-tape. Aan een derde tafel lijkt niets te mankeren, totdat je de bal wil stoten en de lange band een afwijking naar binnen blijkt te hebben. Ook de keus hebben zo hun kleine minpuntjes. Natuurlijk is het niet mogelijk om een rechte keu te vinden, maar dat lukt in Nederland doorgaans ook niet. Sommige zijn echter zo kort dat je soms niet bij een bal kunt komen en er zijn zelfs keus aangetroffen zonder tip. Ik denk dat ik in Nederland geen bal meer weet te potten, omdat de ballen daar gaan zoals je wilt dat ze gaan.

Op nummer twee staat, jawel, een stukje lopen. Dit kan in de vorm van ‘exercise’ zijn (meestal ‘s ochtends vroeg, Mirjam komt ze geregeld tegen tijdens haar eigen (door oegandezen luid aangemoedigde) ‘exercise’), of een meer romantische vorm (meestal aan het eind van de middag, als de temperatuur aangenaam is en de zon alles een rooskleurige gloed geeft).

Gedeeld derde staan kaarten en een bordspel (waarvan ik de naam vergeten ben). Het kaarten bestaat uit een pesten-variant en dient verschrikkelijk fanatiek gespeeld te worden. De kaarten worden hard op de stapel gegooid, alsof de kaarten daarmee extra krachten krijgen. Het bordspel bestaat uit een bord met vier rijen van acht gaten met vier boontjes in elk gat. Via eenvoudige, maar lastig uit te leggen regels moeten de boontjes worden opgepakt en weer worden verdeeld. Je wint als er geen ‘zetten’ meer mogelijk zijn en in jouw twee rijen van acht de meeste boontjes liggen.

Misschien is het ook nog aardig om even snel onze favoriete tijdverdrijfs te melden.
Voor Stefan is dat uiteraard fietsen, lezen en schrijven. Voor Mirjam is dat voornamelijk hardlopen, lezen en gitaar spelen. Daarnaast verdrijven we de tijd ook gezamenlijk met het kijken van series of films op de laptop en het spelen van backgammon of regenwormen. O ja en we poolen regelmatig, om een beetje te integreren met de Oegandezen.